Boos? Verzin dan iets. (NRC, 21 november 2014)

Roerige tijden.

Thuis in Nederland is een handjevol voorstanders van de oerhollandse Zwarte Piet zijn boos. Een handjevol tegenstanders van de oerhollandse Zwarte Piet zijn boos. Maar veruit de meeste mensen zijn boos over de teloorgang van de oerhollandse gezelligheid. Zwarte Piet aanpassen is tot daaraantoe, wie de gezelligheid verziekt pist pas echt over ons erfgoed heen. En ook al was Sinterklaas nog lang niet jarig, de gezelligheid van de decembermaand was bij voorbaat al verpest met al dat gedoe.

Bij voorbaat boos zijn, daar kan men hier in Saint Louis over mee praten. Hier is men nu al boos over de uitspraak van de Grand Jury, die zich momenteel buigt over de vraag of de politieagent die deze zomer een ongewapende zwarte jongen doodschoot, wél of niet vervolgd moet worden. De voorstanders van vervolging zijn bij voorbaat al boos omdat de politieagent misschien vrijuit gaat. De tegenstanders van vervolging zijn bij voorbaat al boos omdat de politieagent misschien gestraft wordt. De gouverneur heeft alvast de noodtoestand uitgeroepen. En iedereen staat paraat om al die opgekropte boosheid over de stad uit te storten.

Zondag schoof ik aan bij een groepje studenten van Washington University die alvast een solidariteitsactie voorbereidden. De bedoeling is om op strategische wijze een druk verkeersplein in de buurt van de campus af te sluiten door met zoveel mogelijk studenten midden op de kruising op de grond te gaan zitten en boeken van radicale zwarte schrijvers te lezen. Er zijn leuzen voorbereid, er zijn coördinatoren aangewezen, er is een centraal informatiepunt, er zijn mensen die zich bereid tonen gearresteerd te worden en er komt een groot spandoek waar het bestuur van de universiteit wordt gevraagd om kant te kiezen (Zijn jullie voor of tegen ons?)

In hetzelfde weekend werd er in Gouda geprotesteerd. Er waren voorstanders, en tegenstanders. Er waren demonstranten die met de armen ineen gehaakt één linie vormden. Er waren spandoeken. Leuzen. T-shirts. Er werden mensen gearresteerd. U kent het wel. U heeft het misschien gezien op het journaal, U heeft zich waarschijnlijk geërgerd dat het er niet zo gezellig uit zag.

Ik weet niet wat het is met leeftijdsgenoten die op de openbare weg gaan demonstreren. Het heeft iets vreemd, iets onechts. Alsof ze een veldslag uit de zeventiende eeuw naspelen. Alsof ze een toneelstuk opvoeren uit een andere tijd. Zo’n groepje mensen dat ergens, buiten, liefst in de kou of regen, op een plein, met veel politie eromheen, iets gaat staan verdedigen. En dan daaromheen staat er voor elke demonstrant tien anderen, die er niet bij horen, maar de boel geluidloos staan vast te leggen met hun smartphone. Voor op Facebook, of op Twitter.

Want daar, oh daar zijn we wel als een vis in het water. Een twintiger die boos is die doet iets. Die begint een bedrijf. Haalt geld op met een idiote actie. Begint een petitie, schrijft een blog. Filmt de seksistische opmerkingen die je hoort als je een paar uurtjes over straat wandelt. Haalt een grap uit. Zet iemand voor lul met een microfoon voor zijn neus. Filmt de politie. Belt het voedselbedrijf op. Deelt een update van “Nederland, mijn vaderland”.

Maar op straat met een kartonnen bordje voor je borst. Echt?

Het staat ons voor geen meter. Het is diep conservatief. We doen het omdat onze ouders het ooit zo deden. Omdat die zwarte radicale denkers, die die boekjes schreven, het ooit zo deden. Omdat we het op televisie hebben gezien. Omdat we niets beters kunnen verzinnen.

Bij de vergadering van Washington University studenten stak ik mijn hand op. Ik vroeg: wat nou als de jury besluit dat de politieagent wél vervolgd wordt, gaat de demonstratie dan gewoon door?

Stomme vraag. Natuurlijk zou de demonstratie doorgaan.

Leave a Reply

Your email address will not be published.